Dat het Afrikaans de eerste taal is van bijna 6,5 miljoen mensen?

Dat nog eens bijna 7 miljoen mensen het Afrikaans als tweede of derde taal gebruiken?

En dat bijna 16 miljoen mensen een basiskennis hebben van het Afrikaans?

Dat de Nederlandse taal zich reeds in de tijd van Jan van Riebeeck (de tweede helft van de zeventiende eeuw) begon aan te passen aan zijn nieuwe situatie aan de zuidpunt van Afrika?

Dat het Afrikaans zo snel veranderd is omdat er zoveel vreemdelingen – Duitsers, Franse Hugenoten, Portugezen, slaven uit Afrika en die Indonesische eilanden – waren?
 
Maar dat men pas in 1915 begonnen is om het Afrikaans te standaardiseren en dat het pas in 1925 officieel als taal erkend is?

Dat de eerste bruine Afrikaanstalige pas laat in de 20ste eeuw op het Taalcomité, dat toezicht houdt op het Afrikaans, aangesteld is?

Maar dat een van de eerste Afrikaanse tekste reeds in 1868 in Arabisch schrift geschreven is?  

Dat het Afrikaans van 50 000 woorde in 1900 tot 250 000 woorden in de late 20ste eeuw gegroeid is?

Dat het Afrikaans niet alleen aan Nederlandse en Vlaamse universiteite gedoceerd wordt, maar ook in Duitsland, Oostenrijk, Polen, Tsjechië en Rusland?

Dat eentalige Afrikaanse colleges bij een Afrikaanse universiteit zoals Stellenbosch van 100% in 1994 afgenomen zijn tot 40% in 2006?

Dat kinderen die in hun moedertaal les krijgen, op school betere resultaten behalen als kinderen die in een tweede taal onderwijs volgen?

Dat 87% van blanke Afrikaanstalige ouders moedertaalonderwijs belangrijk vinden, en dat 74% van de bruine Afrikaanstalige ouders het daarmee eens is? 
 
Dat 46% van de witte Afrikaasntalige huishoudens twee of meer auto’s heeft en dat 51% het zich kan veroorloven om elk jaar te sparen?

Dat ruim 80% van de blanke jeugd niet naar de universiteit gaat?